Wat doe je als kind, wanneer je een structureel tekort aan liefde en verbinding ervaart? Wat is de oplossing in zo’n situatie? Je moet verder, zelfs als het helemaal zonder steun of nabijheid is, zonder veiligheid, zonder iemand die je verlangen naar verbinding beantwoordt. Hoe blijf je overeind? Hoe overleef je op onvruchtbare grond? Wat doe je met je emoties en verlangen?
In onderbroken uitreiking schreef ik over het kind dat uitreikt naar ouders en ervaart dat die uitreiking niet, of onvoldoende, wordt beantwoord. Dat is een groot probleem voor een kind. Het kan hartverscheurend huilen, als het dit voor het eerst ervaart. Van binnen kan dat huilen nog decennia doorgaan.
Op jonge leeftijd is de aanwezigheid en zorg van ouders geen luxe, maar een pure overlevingskwestie. Liefde is niet optioneel. Een mensenkind heeft flink wat jaren nodig om op eigen benen te kunnen staan.
De eerste jaren is het kind compleet afhankelijk van ouders en verzorgers en daarna duurt het nog flink wat jaren eer het zal kunnen functioneren als een volwaardig lid van onze mensengemeenschap. De gemeenschap is sterk. Individueel zijn we kwetsbaar.
Dat gegeven zit diep in onze genen, diep verankerd in onze natuur. Het is dus geen kleine kwestie voor een kind als het de ouders moet missen. Het zal gemakkelijk sterven als het niet snel alternatieve zorg weet te vinden. De reacties in het kind zijn daarom erg krachtig. Nieuwe zorg en aandacht vinden is een kwestie van puur overleven.
Wrede weeshuizen in Rusland
In de zoektocht naar onze eigen natuur, onze eigen aard, hebben we natuurlijk ook dit onderzocht.
Het was een onderzoek in de oude Sovjet Unie dat eigenlijk alleen in zo’n onpersoonlijke en harde cultuur mogelijk zou zijn, alleen mogelijk met kinderen zonder ouders die voor kind kunnen opkomen. Het was te wreed in zijn aard en wordt daarom ook wel een verboden experiment genoemd.
Niet dat wreedheid ons vreemd is, natuurlijk, want dat de historie zit vol met dat soort experimenten en nog steeds zijn we als mensheid in staat tot grote wreedheid. We zijn slechts beperkt betrokken en waar we dat niet zijn…
In de Sovjet Unie hebben ze in weeshuizen geleerd hoe belangrijk het is voor baby’s om geknuffeld, aangeraakt te worden en affectie te krijgen. Er werd zelfs niet gesproken in de omgeving van de baby.
Zo’n behandeling kan zelfs voor volwassen mensen gekmakend zijn (als je nagaat wat langdurige eenzame opsluiting met mensen doet), maar voor baby’s? Veel baby’s werden ziek en overleden in die situatie zonder affectie, zonder knuffels en liefdevol oppakken. Naar verluid, zijn daar zo’n 40 baby’s overleden.
Het leert ons dat de expressie van liefde en verbinding, in de aanraking en de behandeling van een baby, noodzakelijk voedsel voor het kind is. Een kribbe en onpersoonlijke zorg is niet genoeg om het kind gezond en zelfs levend te houden. De aanraking en een mogelijkheden om te hechten zijn een overlevingskwestie.
Deze kinderen hadden geen ouders meer, maar als gemeenschap, als ouders van kinderen die nog wel leven, kunnen we voelen hoe pijnlijk en verdrietig deze uitkomst was en hoe wreed de situatie.
Elke aanraking is beter dan geen aanraking
Zelfs ruwe aanraking, harde woorden en negatieve aandacht is beter dan helemaal geen aandacht. Je kan hechten aan een dader, maar niet aan iemand die er niet is. Klappen krijgen is uiteindelijk beter dan compleet genegeerd worden.
We zijn niet heel kieskeurig in wat voor contact we krijgen, zolang we maar contact hebben, zolang we maar niet alleen zijn. Als we dat missen, klampen we aan alles en iedereen vast om dat gat maar te vullen.
Je hebt vast wel eens van het Stockholm syndroom gehoord, een fenomeen waarin mensen die gegijzeld zijn, hechten aan, en sympathie krijgen voor, hun gijzelnemers.
Hartstochtelijke verdriet om scheiding
Hoe belangrijk die hechting en de aanwezigheid van ouders is, merk je duidelijk als je een klein kind hartstochtelijk hoort brullen wanneer het merkt dat de ouders weggaan.
De eerste keer dat het kind achterblijft in een kinderopvang kan erg dramatisch zijn voor het kind. Het kan eroverheen komen, maar de eerste schrik kan groot zijn. Voor sommige kinderen is het vertrek van de ouders een enorm verdriet, vooral als ze nog heel jong zijn. Dat is een biologische imprint.
Verloren ouder syndroom (PAS)
Maar vergis je niet, diezelfde biologische imprint blijft werken, hoe oud je ook wordt. Denk aan groepen die elkaar vinden rondom het verlaten oudersyndroom, ook wel bekend als ouderverstotingssyndroom of Parental Alienation Syndrome (PAS).
Daarin gaat het om ouders die het moeilijk hebben met het verlies aan contact met (en zelfs de afwijzing door) hun bloedkinderen.
Ook deze ouders huilen luid en veel om dat verlies, al herkennen we hun uitingen misschien niet altijd als het hartverscheurende verdriet dat eronder ligt. Rationaliteit, boosheid en verwijt, zijn daarin slechts maskers en een houvast om te helpen om overeind te blijven.
Omgedraaide ordening
In zichzelf hebben ze de ordening omgedraaid en zoeken bij het kind iets dat ze normaal van hun ouders hadden gekregen, maar het is hetzelfde verdriet, dezelfde imprint, hetzelfde tekort.
Eigenlijk zoeken ze in hun kinderen hun verloren papa en mama. Het zijn eigenlijk kinderen die hartstochtelijk uitreiken naar een ouder en daarin een leegte ontmoeten.
Als familieopsteller kunnen we daarin soms ook een onderliggende potentiële verklaring herkennen voor het afkeren van het kind. We moeten dat daarna natuurlijk nog toetsen door een opstelling te doen die kan bevestigen wat de dynamiek is in een specifieke relatie.
Ontsnappen uit een wurggreep
Als de aanspraak van de ouder naar het kind te groot is, als de affectie is veranderd in een wurggreep (het kind moet het gemis aan ouderlijke verbinding compenseren), dan kan er een punt zijn dat het kind het niet meer verdraagt en afstand nodig heeft.
In zo’n situatie kan het pas weer terugkeren als het veilig genoeg is, oftewel nadat de aanspraak op het kind is opgelost en de ouder niet meer vraagt aan het kind, maar beschikbaar is als steun voor het kind.
Door weg te gaan uit de aanspraak zal het kind dan ademruimte vinden en en een mate aan autonome vrijheid, terwijl het nog steeds de ouder ook in zich zal dragen en de ouderlijke steun zal missen. Het kind blijft onbewust trouw aan de ouders, zelfs als het afwijst.
Het effect van omgekeerde ordening
Ouders die vragen in plaats van geven, die het kind nodig hebben in plaats van het kind steunen en vrij laten, zijn niet echt aanwezig voor het kind, hoeveel tijd ze ook met het kind doorbrengen en hoe lief ze uiterlijk ook (voor)doen.
Het kind voelt de onvrijheid, maar wordt bovenal niet voldaan in de eigen behoefte aan een stabiele basis bij de ouders. Als ouders leunen op een kind, kan het kind niet leunen op de ouders. Zo’n kind is dan eigenlijk ook niet vrij om te gaan.
Bottom line is dan dat het kind eigenlijk een surrogaat ouder is geworden en zelf zijn ouders is verloren. Dat is het effect van de omgekeerde ordening en feitelijk staat het kind dan alleen zonder steun.
Je kunt het zien als een situatie waarin het kind uitreikt en vervolgens met huid en haar naar de ouders toe wordt getrokken om op geleund te worden. Niet echt wat z’n kind nodig had, of zocht, maar nog steeds iets beter dan compleet genegeerd worden.
Vaak zal het kind dan zoveel als het kan, en iets meer dan dat, gaan dragen en verdragen voor de ouders, om al gauw te merken dat het te zwaar is en dat het met een hoge prijs komt.
Als familieopsteller mogen we dat kind dan later, als het erom vraagt (of psychisch en fysiek op de knieën gaat), helpen om een andere oplossing te vinden en de last weer terug te geven.
Onbreekbare banden
Sterk spul die Fisherman’s zeggen we dan hier (over de kracht van reclame gesproken). Het gaat dan ook over onbreekbare banden en directe levensbehoeften, waarin we ons weg moeten vinden. Elk van ons, zonder uitzondering.
Opvallend hoeveel zelfs degenen die zich luidruchtig afzetten tegen de ouders uiteindelijk bereid zijn te offeren voor hun familie en diezelfde ouders.
Een gewaardeerd collega, die in werkte met zwaar mishandelde en delinquente jongeren, vertelde me al eens dat je alles tegen die jongeren mocht zeggen, maar kom niet aan hun ouders. Dan krijg je een mes tussen je ribben.
Zelfs het meest mishandelde en genegeerde kind blijft op een diep niveau trouw aan zijn oorsprong. Elke volwassen is ook nog een kind binnen die context. Het zoeken gaat door tot de ouders teruggevonden zijn. Wat je ziet en hoort is vaak maar een masker aan de oppervlakte.
Affectie op latere leeftijd
Ook als je oude bent en de zelfstandigheid wordt minder, blijven dezelfde verlangens werken. Biologische impulsen en patronen veranderen niet door de jaren. Ook later heb je het nodig om, veilig, of desnoods onveilig, te kunnen binden.
Ik schreef eerder over een programma waar contact en aanraking aan ouderen wordt geboden. Een heerlijk programma voor senioren waarin ze dans, aanraking en contact gegeven wordt en ze een fijn voedend moment krijgen.
Het zijn van die momenten waar we vaak geen geld voor willen geven, maar die zo belangrijk zijn. Dansen met je ogen en je handen.
Isolatie door verlies
Ouderen komen vroeger of later steeds meer alleen te staan en hebben dan nog maar weinig momenten dat ze zacht, liefdevol en/of verzorgend worden aangeraakt. Kinderen kunnen de eenzaamheid wat doorbreken, maar dat heeft ook grenzen en niet iedereen heeft kinderen.
Het is een gemengd genoegen van hoe we ons als gemeenschap organiseerden. Het bevrijd kinderen van de zorg voor hun ouders, maar het ontrafelt tegelijk de samenhang tussen generaties en zet degenen die niet meer gewaardeerd worden om hun huidige productie op een zijspoor.
Die mensen plaatsen we vervolgens in een wachtstand, terwijl het ze tot een kostenpost reduceert, iets dat in zichzelf nauwelijks nog waarde heeft. Als het onszelf nog niet betreft denken we niet aan dat dit ook onze toekomst zal zijn.
Je geboorterecht
Dat is economisch denken, niet een op menselijke waarde gebaseerd denken. Het maakt ons egocentrischer en misschien meer productief voor bedrijven, maar we verliezen daarin ook veel.
We denken vrijheid, maar die vrijheid bestaat vooral uit consumeren en het werken voor producenten. Zonder verbinding is dat een leeg bestaan en gaandeweg voelen we dat ook wel, als de afleidingen falen ons te boeien.
Als je als familie dicht bij elkaar leeft en generaties bij elkaar zijn dan bieden de generaties elkaar ook wat en is verbinden gemakkelijker.
Het leven in een gemeenschap is meer uitdagend, maar uiteindelijk geeft het ook veel. Je hoort ergens bij, niet omdat je iets doet of bent, maar gewoon omdat je erbij hoort.
Dat is nog eens een geboorterecht. Je hoort erbij, zelfs als je misdraagt, of afwijst. Dat is onze diepste imprint en daarmee onze grootste angst. Dit geboorterecht vind je alleen in je bloedverbinding, in je familie.
Een geboorterecht hoeft niet pijnloos te zijn. Het motiveert zelfs zonder dat je het weet. In familieopstellingen ontdekken we dat steeds. Zelfs als het me mijn leven kost, is een goede samenvatting van deze diepe verbinding. Zo belangrijk is het, of je het ervaart of niet.
De hartverbinding tussen ouder en kind
De band tussen ouder en kind wordt al heel vroeg na de geboorte gevormd en begint zelfs al voor de geboorte. Het ritme van de hartslag van de moeder wordt door het kind herkend, en direct na de geboorte als het hummeltje voor het eerst op de borst wordt gelegd is het die hartslag die het kind helpt kalmeren.
Daarom zijn er ook culturen waarin de vrouwen baby’s overal tegen zich aan dragen, in grote draagdoeken, zodat het kind zich voortdurend verbonden kan voelen met de moeder, steeds lijf op lijf contact kan ervaren en de hartslag van de moeder blijven voelen.
Dat is eigenlijk normaal natuurlijk gedrag, als je kijkt hoe chimpansee moeders (de aap die genetisch dicht bij ons staan) hun kinderen bij zich dragen. Chimpansees hebben geen draagzak, maar doen precies wat wij doen als we het kind tegen ons lijf dragen. Waarom zou biologie dat doen?
Beschaving en moderne instructies brengen ons niet altijd dichter bij onze natuur. Daar waar het tegen natuur en biologie ingaat, doen we er goed aan om vragen te stellen over de wijsheid daarvan. Natuur is veel ouder dan beschaving en heeft zich ruimschoots bewezen. Het is het nieuwe dat zich moet bewijzen als iets beters.
Geboorte is niet niks voor een kind. Je wordt zomaar uit het enige huis dat je kende, de warme en veilige baarmoeder, geduwd, om te eindigen in een kille ruimte waar allerlei reuzen, felle lichten en tal van vreemde geluiden je storen.
Geen wonder dat we zo’n diep verlangen hebben naar versmelting, naar de terugkeer naar deze baarmoeder, waarin we volledig verzorgd en gevoed werden, waarin op magische wijze al onze behoeften werden vervuld.
Scheiden en onderscheiden als taak
In de buitenwereld blijkt dat heel anders en moeten we opeens op onszelf gaan staan en onszelf onderscheiden van de wereld waarin we leven. We moeten ons onderscheiden van andere mensen, zelfs van onze ouders.
Dat is geen kleine taak. Het is schrikken als je ontdekt dat je je ouders niet bent, als je voor het eerst echt scheidt van je ouders.
We moeten dan opeens een “ik” creëren en in stand houden, een avonturier die de wereld ervaart en daarin een zelf is. Het vraagt om voortdurende bijstelling om die zelf te handhaven. We moeten willen en vinden en opeens wordt relaties een onderwerp, want er zijn anderen die ook een eigen ik hebben.
In ons verhaal laten we weten hoe we begrijpen, maar ook hoe en wat we ontkennen en misverstaan. Ons eigen verhaal is imperfect en biologie (onze natuur) blijft onafhankelijk daarvan aan de macht. Ons verhaal probeert slechts een kader van betekenis, van begrip, te geven, als een houvast voor dat zelf.
Vanaf het ontstaan van dat zelf kan er van alles aan verwarringen, misverstanden en conflicten ontstaan. Je kan er moe van worden.
Aangeleerd of aangeboren?
Al die primaire reacties en veel van onze patronen zijn niet aangeleerd, maar deel van onze natuur. In de meeste gevallen werkt het gewoon.
Je merkt dat ook als je dieren in je gemeenschap hebt. Wij hebben kippen en die zijn hier uitgebroed uit eieren. In het begin waren er alleen kippen en geen haan, maar een deel van de kuikens blijken hanen te zijn.
Wat vervolgens opvalt is dat de hanen haantjes gedrag vertonen. Ze groeien sneller, beginnen hun dominantie te tonen, duiken op de kippen en springen met de borst vooruit tegen elkaar en doen alles wat hanen zoal doen.
Niemand heeft ze geleerd hoe ze een haan moesten zijn. Dat zat al in hun natuur verankerd en kwam vlekkeloos naar buiten.
De vrouwen wat rustiger en de mannen wat stoerder, wat meer geneigd tot krachtmetingen, en beiden in aanloop naar volwassenheid volgens voorspelbare natuurlijke patronen die de tijd hadden doorstaan.
Misschien is het maakbaar, maar het is duidelijk dat wij niet de makers zijn geweest. Je mag het God noemen, evolutie, of natuur, maar wat het ook was, het is ouder en groter dan elk van ons.
Aangeboren menselijke patronen
Baby’s weten als vanzelf hoe ze baby moeten zijn. Hun gedrag activeert evenzeer als vanzelf het zorginstinct bij de ouders. Opeens blijkt dat beschaving niets verandert aan de patronen. Het is de magie van onze biologie en wij reageren zoals het dicteert.
Nieuwe ouders merken ook dat ze direct een band krijgen met hun eigen kind en kunnen verrast zijn door hun eigen gevoelens en zorgzaamheid naar het kind. Als iets deel van je natuur is dan werkt het gewoon, of je nu wilt of niet.
Op de leeftijd van een pasgeboren kind, kunnen we nog niet overleven zonder intensieve ouderlijke zorg. Alles wat we nodig hebben om die zorg te krijgen zit al in onze natuur. Onze soort heeft zelfs gemeenschappen die desnoods voor surrogaat ouders zorgen.
Op elk moment van de dag heb je die ouders nodig voor warmte, veiligheid, voedsel, lijfelijk contact en als je het niet krijgt zal je dat laten weten en krijg je hopelijk wat je dan nodig hebt. Je begrijpt nog niets, maar normaliter werkt alles gewoon.
Te groot voor geboorte
Een mensenkind wordt in biologische zin eigenlijk veel te vroeg geboren. Een hertenkind zou meteen moeten kunnen staan en naast de moeder lopen, maar baby’s hebben nog veel tijd nodig om daar te komen.
Een babyhoofd is zelfs nu al te groot om door het geboortekanaal te passen, en moet worden ingedeukt voor die taak. Het is onmogelijk voor ons lichaam om te wachten op het moment dat een baby zou kunnen lopen en meedoen.
Het is daarom veel beter om een mensenkind veel te vroeg geboren te laten worden en de ouders het mee te laten dragen en verzorgen. Het lichaam is nog niet af, maar af genoeg om de rest buiten de baarmoeder te ontwikkelen.
De eerste tijd zijn onze nazaten nog volstrekt hulpeloos, maar daarvoor zijn we ook groepsdieren met een zorginstinct. De groep zorgt voor de veiligheid van moeder en kind.
Samenwerken in een gemeenschap
Het mensenkind wordt, zolang het nog niet op eigen benen kan staan en zichzelf kan redden, door anderen gedragen en verzorgd. Gaandeweg heeft het minder zorg nodig en kan zelf gaan bijdragen aan de groep.
Al vanaf onze geboorte worden we zo ingewijd in het feit dat we deel zijn van een gemeenschap, allereerst onze familie. We staan niet als individu en doen dingen samen. We horen ergens bij, waarin we zowel krijgen als moeten geven.
De hulpeloosheid van jonge kinderen en de kwetsbaarheid van hoogzwangere vrouwen en vrouwen (in de periode voor en na de geboorte) wordt adequaat opgelost door als een gemeenschap samen te werken. Hoe mooi!
Zelfs als je afzet tegen de oude structuur van een traditioneel gezin, zal e kunnen herkennen dat ook moderne structuren dezelfde ondersteuning bieden, alleen nu georganiseerd vanuit instanties en organisaties.
Zelfs als we versnipperen en net doen alsof we op onszelf staan en niemand nodig hebben, werken we als gemeenschap samen. De middelen die je de illusie geven van zelfstandigheid komen nog steeds uit bij een gemeenschap die je iets biedt en iets van je vraagt.
De feitelijke afhankelijkheid van die gemeenschap is alleen maar groter geworden nu we ons bestaan bouwen op middelen die we met geen mogelijkheid nog zelf zouden kunnen maken.
We zwemmen en zinken samen, meer als ooit tevoren. Hoe afhankelijk zijn we inmiddels van communicatienetwerken, energienetwerken, complexe medische voorzieningen en enorme infrastructuren die ons voedsel vervoeren en produceren, van schoon watervoorzieningen?
De complexiteit van onze welvaart is enorm en meer kwetsbaar dan we willen weten. Het vraagt een voortdurende inspanning en een samenwerking op een schaal die we niet meer kunnen overzien. Soms vechten we samen zelfs oorlogen om het te beschermen.
Het is zinloos om je ertegen te verzetten. Het is onze aard om samen te leven, samen te werken en samen desnoods ten onder te gaan. Dat feit is altijd geweest en zal niet veranderen tijdens ons collectieve bestaan.
Offeren aan gevaar
Als er mensen geofferd moeten worden aan het gevaar, dan zijn het traditioneel de mannen die we offeren, zodat onze toekomst als gemeenschap beschermd wordt. Voortplanting van onze soort maakt vrouwen meer kwetsbaar dan mannen en ook hier steunt de biologie hoe we als gemeenschap het het altijd organiseerden.
Zo heeft iedereen een rol in de bescherming en het opgroeien van het kind. Het vraagt een dorp, wordt wel gezegd. Vrouwen staan dichter bij de baby en zijn kwetsbaarder dan de vader en de vader heeft als primaire taak om te zorgen dat het veilig is moeder en kind.
Zo dienen moeder en kind samen het grotere, namelijk het voortbestaan van de menselijke soort, van de gemeenschap en het welzijn van hun kind.
Ouderschap gaat over dat soort dienstbaarheid en komt dus opnieuw met een overgang waarin je het zelf op een lager plan zet en het grotere meer dient. Het is opnieuw een overgang in je leven en een sprong naar een grotere verantwoordelijkheid.
Natuur stoort zich niet aan veranderingen in onze voorkeuren.
Veilig hechten en basisvertrouwen
Er zijn tal van theorieën over de impact van lijf op lijf contact tussen moeder en kind en hoe trauma’s al op zeer jonge leeftijd kunnen ontstaan, zelfs in de baarmoeder.
Het gaat goed als het kind op een veilige manier en met genoeg veiligheid leert hechten aan de ouders. Dan heeft het een goede basis voor vertrouwen in anderen en voor toekomstige relaties, wat belangrijk is als je een sociaal organisme bent en je leven in groepen doorbrengt.
Je zal in alles wat je doet al snel anderen nodig hebben en sociale vaardigheden nodig hebben. Geen mens is een eiland.
Onveilige hechting en het begin van wantrouwen
Het kwijtraken van de ouders kan een breuk geven in het vertrouwen en de bestaansveiligheid van het kind, maar het hangt van omstandigheden af en hoe het kind de situatie betekenis geeft.
Hoelang was de ouder weg? Hoe reageerde de ouders na terugkomst? Wat leefde er in het kind? Wat voor conclusies trok het? Kan het nog vertrouwen op de ouder, op de veiligheid van bestaan?
Kinderlijk magisch denken
Kinderen doen aan magisch kinderlijk denken, wat betekent dat het kind al op jonge leeftijd conclusies kan trekken die deels op fantasie gebaseerd zijn. Het heeft nog niet de volwassen ervaring en begrijpt situaties daarom soms nog helemaal verkeerd, met onhandige uitkomsten die een lange echo kunnen hebben.
Je ziet hetzelfde magische denken ook bij veel oudere kinderen nog terug, als ze uitreiken naar moeiteloze magische wonderen in alternatieve circuits, religie, spiritualiteit, of zelfs technologie.
Ons geloof in de magische krachten van onze ouders zit diep en haakt aan waar het wil. Een gemeenschap? Een magisch verhaal, of idee? Een technologie die alles goed zal maken? Een filosofie? Waar zijn de ouders en het uitreiken naar ouders verborgen onder die verhalen?
Velen van ons hebben delen die al helemaal zijn opgegroeid, maar ook nog flinke stukken die nog steeds verlangen naar iets dat we niet kregen, of later zijn kwijtgeraakt, delen die nog niet heel zijn, of nog zelfs flink beschadigd.
Waar is onze papa en mama?
We vermommen die delen vaak met mooie verhalen, maar het verlangen naar de onderliggende ouderlijke zorg, de steun en veiligheid, gaat nooit echt weg. Het gemis kan vervuld raken als we verbinden met onze ouders, maar daarbuiten is vervulling lastig te vinden.
Uiteindelijk willen we onze eigen papa en mama en niemand anders. Daar ligt ons (soms gebroken) hart. We gaan van plek tot plek tot we terug thuiskomen.
Oorzaken van een onderbroken uitreiking
Als een jong kind Langere tijd afgescheiden is van de ouders, dan kan het besluiten dat het niet meer op de ouders kan vertrouwen, wat dramatisch kan uitpakken voor het kind. Het kan zelfs de ouders gaan afweren en afwijzen.
Misschien was de aanleiding slechts een tijdelijke en onvermijdelijke afscheiding door een ziekenhuisopname van een ouder of het kind, maar soms begrijpt een kind dat gewoon niet en duurde het wachten te lang.
Soms reageert het kind op zoiets schijnbaar kleins als dat een ouder niet zag dat het kind uitreikte om opgepakt en geknuffeld te worden. Een kind begrijpt niet waarom de ouder het zo negeerde.
Op zo’n moment kan het diep verdriet ervaren en hoe het daarmee verdergaat kan afhangen van bijvoorbeeld de tijdsduur (kwam de ouder snel terug?), of hoe vaak ditzelfde gebeurt, of hoe de ouders de band later weer herstellen.
Hoe goed je als ouder ook je best doet, je kunt niet alles voorspellen. Soms merk je pas veel later wat er in je kind leeft en dat hechten onveilig is geworden. Je dacht dat het goed ging met je kind en hoort dan opeens dat het al heel lang onder iets gebukt ging en zich alleen voelde. Misschien geeft je kind jou zelfs de schuld ervan.
Wat te doen? Hoe te reageren? Hoe resoneert het gebroken kind in jezelf als dat gebeurt? Loopt je kind misschien met eenzelfde tekort als jij? Heb jij voor jezelf nog niet eens een oplossing?
Kan het kind weer leren vertrouwen op veiligheid en de betrouwbare beschikbaarheid van ouders? Ouders willen vaak wel, maar ze zijn ook maar mensen. Soms moet het kind dat later zelf doen en hulp zoeken.
Het was en is niet de taak van ouders om alles in jou te voorkomen en je een perfect leven te bieden. Soms moet het genoeg zijn dat hun liefde jou liet ontstaan en konden ze niet eens verder gaan dan dat.
Soms is liefde (in een vorm die je herkent) zelfs ver te zoeken. Leven komt zonder garantie en kan soms veel van je vragen. Het is aan jou om door te gaan met wat je ook krijgt, of kreeg. Het is jouw opdracht om ermee verder te gaan, hoe je maar wilt.
Als uitreiken te pijnlijk wordt
Als uitreiken te pijnlijk wordt, dan kan het kind al jong besluiten dat het alleen en helemaal zonder steun verder moet. Het kan besluiten voortaan uitsluitend te vertrouwen op zichzelf.
Het kan ook op zoek gaan naar compensatie van het gemis, door andere bronnen van verzorging, warmte en liefde te vinden dan de ouders. Het kan op anderen gaan leunen en zich laten dragen door (een deel van) de gemeenschap. Het kan bijvoorbeeld ziek worden zodat dit gebeurt.
Het kind moet hoe dan ook een weg vinden om te overleven in dit gemis en dat is niet gemakkelijk.
Onbewust kiezen voor berperkingen
Zelfs als het een manier vind om succesvol te overleven buiten de bedding van liefdevolle steun en verzorging, dan zal het het een hoge prijs betalen die het pas veel later zal kunnen begrijpen.
De prijs kan liggen in vermindering van levenskwaliteit, levenslust, tot in de bandbreedte van emoties die het kan ervaren en verdragen. Het kan besluiten dat het niet meer wil voelen, met alle consequenties van dien. Je kan gevoel reguleren en blokkeren via je lichaam.
Als contact pijnlijk wordt, kiezen we bewust en onbewust voor tal van beperkingen en moet dat dan later (via een patroon dat cognitieve dissonantie wordt genoemd) weer in balans brengen.
Cognitieve disssonantie
Cognitieve dissonantie zegt zoveel als dat we ons verhaal over onszelf (onbewust) bijstellen om het in balans te brengen met onze ervaringen. Als we de realiteit niet naar onze wens kunnen veranderen, kunnen we altijd onze beleving ervan aanpassen.
Misschien vertellen we dan dat we eigenlijk tevreden zijn met wat we hebben en veranderen daarmee ons gevoel over de situatie. We willen niet meer anders.
Ons nieuwe verhaal kan dan het gemis ontkennen en zelfs ombuigen in iets positiefs, misschien zelfs iets dat benijdenswaardig is. Als de omstandigheden buiten je invloed zijn en vaststaan, dan kan je in elk geval nog je verhaal en je beleving ervan bijstellen.
Of we moeten een goed excuus hebben waarom we in de situatie bleven. In een onderzoek werd een groep ruimschoots betaald voor vervelend monotoon werk (zoiets als rekensommen) en een andere groep werd niet betaald voor hetzelfde werk.
De groep die geen geld kreeg vertelde achteraf dat het werk wel meeviel en was tevreden, terwijl de betaalde groep zich negatief uitsprak over het werk en ontevreden was. Ze hadden het gedaan voor het geld. De groep die niet betaald was, had dat excuus niet en moest het eigen gedrag op andere wijze rechtvaardigen.
Als we geen goed excuus vinden waarom we in een “onprettige” omstandigheid blijven, dan helpt cognitieve dissonantie ons om dat te compenseren. Het is een psychologische oplossing die we onbewust gebruiken om onszelf te blijven begrijpen.
Werkzame oplossingen voor een onderbroken uitreiking
Onderbroken uitreiking ging over het gemis van verbinden en bevestiging en ook vooral over gangbare en genoeg “werkzame” oplossingen wanneer kinderen (van alle leeftijden) zijn gestopt met hun uitreiken. Alleen stoppen met uitreiken is niet genoeg.
Het ontbreken van veiligheid en vertrouwen is een veel voorkomend iets, dus het we kennen waarschijnlijk allemaal wel mensen die dit dragen, ook al is het niet altijd zo gemakkelijk om het te herkennen, ook niet voor degene die het betreft.
Onveilige hechtingsstijlen
In de psychologie wordt het een onveilige hechtingsstijl genoemd, maar dat klinische etiket maskeert het gewicht van de onderliggende overlevingspijn, van het gemis ook wel heel erg.
Je krijgt dan een model waarin verschillende stijlen worden onderkend. Het onderscheid stijlen op basis van ernst, of op het patroon waarin het kind overleeft in het gemis. Alles van een tekort aan liefdevolle aandacht, of veiligheid, tot mishandeling en complete verwaarlozing.
Onveilige hechtingsstijlen:
- Angstig-ambivalente (afwerende) hechting
- Onveilig-vermijdende hechting
- Gedesorganiseerde hechting
De woorden laten het bijna als iets neutraals klinken. Een wetenschappelijke poging om gedrag objectief te beschrijven.
De hartbreuk onder de hechtingsstijl
Voor het kind is onveilige hechting zeker niet triviaal, noch neutraal. Voor het kind is het een hartverscheurend gemis. Als het geluk heeft hoeft het de hartbreuk niet meer te voelen, maar het raakt niet meer helemaal vervuld.
Onderbroken uitreiking is een existentieel probleem, waarin het kind moet werken om te overleven. Het kind kreeg niet wat het nodig had en besloot het op te geven, of extra hard te werken (brave Hendrik), terwijl het de pijn van isolatie probeerde weg te houden.
Kan het kind nog (of weer) vertrouwen? Dat ligt moeilijk, ook al kan het hartverscheurende huilen gestokt zijn.
Stoppen met huilen door isolatie of verstikken
Het kind kon niet blijven huilen, want degenen voor wie de tranen en kreten waren bedoeld kwamen niet terug. Nu krijgen de tranen expressie op andere manieren, soms in zelfdestructieve patronen.
In lichaamswerk leren we dat emoties en trauma’s worden vastgezet (verborgen) in spierspanning en door minder te ademen. Maar als je ruimer kijkt dan zie je het ook in gedragingen en in denkpatronen en aandacht.
Het kind kan zichzelf gevangen houden (in de ivoren toren, of een cocon waarin anderen slechts beperkt toegang krijgen). Het kind kan stoppen met ademen en zichzelf langzaam verstikken.
Hoogmoed als oplossing
Maar de favoriete oplossing bestaat voor velen uit een mix van boosheid en verwijt (wrok) en hoogmoed (ik ben beter dan … mijn ouders?). Vooral hoogmoed is moeilijk te doorbreken, omdat het erg comfortabel is om uit contact te zijn en onbereikbaar.
De isolatie in hoogmoed haalt de confrontatie weg met het feit dat er niemand is die je kan geven wat je zoekt. Tegelijkertijd opent het ook een deur waarin je indirect kan halen wat je nodig hebt om te overleven.
Het is een slimme oplossing voor een groot probleem. Niet voor niets is het populair en veel gekozen, soms in combinatie met andere oplossingen. Hoogmoed maakt onkwetsbaar omdat het uit contact is en impliciet ieder ander mens uitsluit en ietwat afkeurt (daarin zit de boosheid verborgen).
Het is ook een hulpvraag om gered te worden, terwijl het gebrek aan toegang niemand een positie geeft om te kunnen redden, of zelfs degene echt nog te kennen. Deze oplossing is tragisch in zijn schoonheid.
Liever blijf ik alleen, is de onderliggende dynamiek en boodschap.
In zekere zin is hoogmoed een stap uit het leven, weg van de pijnlijke ervaringen die daar gevonden worden. Wat volgt is een stille dood. Het lijf leeft nog wel, maar er is nog maar weinig echt leven daar. Vanaf nu laat ik mezelf niet meer kennen, zelfs niet aan mezelf. Ik wil niet meer voelen.
Eenzaamheid als een helpende kracht
Deze positie kan pas in beweging komen als de het hoogmoedige kind weer gaat ervaren hoe eenzaam het alleen zijn eigenlijk is en hoe dat niet vervullend genoeg is. Je hebt het gewicht van emotie en het onderliggende verlangen nodig, zodat het kind weer gaat willen verbinden en terug naar thuis gaan.
Het alleen zijn moet daarom doorslaan in de eenzaamheid van complete isolatie. Tijd helpt daarin, maar soms moet je ook de manieren blokkeren waarmee dit kind indirect (in geheim en geneip) bevestiging haalt en uitreikt.
Het kind heeft het nodig om nodig om echt te ervaren hoe alleen het eigenlijk is en hoezeer de rest van de wereld verder gaat en dit kind achterlaat.
Simpel gezegd: De wil om terug te gaan naar de ouders moet opnieuw geactiveerd worden.
Het is nodig dat het kind zich voluit herinneren hoezeer het eigenlijk verlangt naar de verbinding met de ouders en andere mensen. Het moet weer terug willen naar de volle ervaring van leven in contact.
Dit mens weet geen idee hoe het zich kan ontspannen en echte veiligheid vinden in een groep, hoe het zich werkelijk en oprecht kan delen in contact.
Het opgeven van bescherming en bekende gevoelens
Het is best eng om de bescherming van deze oplossing op te geven en het is erg verleidelijk om snel weer terug te gaan naar hoogmoed als niet alle behoeften in gelijke mate worden vervuld.
De persoon in kwestie heeft zich al jaren geoefend in deze vorm van isolatie en het alleen zijn. Dat maakt het een vertrouwd patroon dat zich zal verzetten tegen verandering. Een bekend en dragelijk rotgevoel is altijd veiliger dan opnieuw proberen.
Het kind geeft deze extreme beheersing van zijn innerlijke ruimte dus zeker niet gemakkelijk op. Het voetstuk is comfortabel en heeft veel voordelen, zelfs als de prijs is dat het veel echt menselijk contact blokkeert.
Vrij van moraliteit, neutraal waarnemen
Miscshien heb je al gemerkt dat ik hoogmoed graag benader als een min of meer neutrale eigenschap, een werkzame oplossing voor een situatie. Het is hoe we als familieopsteller situaties benaderen. Gewoon observeren en nagaan hoe patronen werken en zijn.
De intensie is slechts om te begrijpen wat er is en (waar nodig) hulp te verlenen. Het is een beoordeling die helemaal vrij is van moraliteit en slechts aanhaakt op menselijheid, maar dan ook in alles en iedereen.
Familieopstellingen, noch systemisch werk, heeft een eigen voorkeur. Deze neutrale amorele basishouding is nodig om iedereen te kunnen respecteren, steunen en begrijpen in elk systeem.
Iemand die partij kiest, heeft een voorkeur en dat is een beperking als je een hulpbron wilt zijn op dit diepere niveau. Bert Hellinger heeft dit ook steeds verwoord op zijn scherpzinnige compacte wijze.
Als opsteller sta je aan de kant van degenen die gevaar lopen om verstoten te worden en dat zijn vaak degenene die het meest afgekeurd worden. Het inzicht dat iedereen een plek heeft en erbij hoort is diep verankerd in deze werkvorm.
Waarom we hoogmoed vaak afkeuren
Velen zullen geneigd zijn woorden zoals hoogmoed (of arrogantie) onmiddellijk te laden met onprettige gevoelens en afkeuring en dat is hier niet de bedoeling, hoe herkenbaar en begrijpelijk dat soort emoties ook mogen zijn.
Een reden waarom we snel geneigd zijn om een woord als hoogmoed vol te laden met afkeuring, is omdat het open contact in de weg staat. Open contact hebben met iemand die zichzelf hoger plaatst dan ons confronteert ons met de ontoegankelijkheid van de ander. De ander geeft geen echte toegang.
Dat uit contact zijn confronteert ons dan allereerst met onze eigen onvervulde uitreiking naar die ander, ons verlangen naar open en gemakkelijk contact, ons verlangen naar ontvangen en goedgekeurd worden. We willen welkom zijn waar we gaan.
Bovendien voelen we de impliciete afkeuring die in hoogmoed is verpakt. Hoogmoed plaatst ons in een relatief lagere positie. Het vind ons de mindere in het contact en wij worden uitgelokt om op te kijken naar die ander, en te bewonderen. Misschien hebben we daar helemaal geen zin in.
het is ook geen eerlijk contact, want de ander laat zichzelf niet echt kennen. Het is daarmee eenzijdig. Wij mogen onszelf geven, terwijl de ander dat niet doet.
De spiegel van ons eigen verlangen
Maar wat maakt eigenlijk dat we zo sterk reageren op hoogmoed en het blokkeren van contactmogelijkheden? Waarom is het zo belangrijk om er iets van te vinden, laat staan om er grotere gevoelens over te hebben? Wat is zo belangrijk daaraan?
Niets ervan zou ook maar enige betekenis voor ons hebben als ons eigen verlangen naar gelijkwaardig en betekenisvol contact niet zo groot zou zijn.
Als we zelf niet bij die ander willen horen (of omgekeerd, maar dat is eigenlijk hetzelfde), dan zouden we beiden vrij kunnen zijn en onaangetast. Wat maakt dat die ander in zijn onbereikbaarheid zoveel betekenis en macht heeft dat we gaan voelen?
Zo sterk is ons verlangen naar contact en verbinding. We keuren alles af wat ons verlangen naar verbinding in de weg staat, terwijl we ook vragen om onze eigen tekorten en imperfecties te aanvaarden. We willen erbij horen en vrij blijven van afkeuring door anderen. We zoeken veiligheid in de verbinding.
Het is de spiegel van onze eigen menselijkheid en de uitreiking in onszelf. De betekenis van deze emotie zijn wijzelf. Die ander hoort bij ons en we willen hem of haar terug. De dichte deur moet open. Hoogmoed en verlangen zijn een en dezelfde.
Toestemmen als startpunt
Als opsteller benader ik oplossingen en patronen met toestemming. Als er lijden is dan stem ik ook dat toe en haal de druk ervanaf om ook maar iets te doen. Ik laat het vrij en kies hooguit om erbij te zijn, zodat het niet meer alleen is. Het mag blijven zolang het wil. Dat is toestemmen.
Het patroon is slechts een oplossing voor een psychische uitdaging en degene die een prijs betaalt voor deze oplossing is in de eerste plaats de persoon zelf.
Misschien is het al fijn als iemand doorheeft hoezeer deze persoon lijdt en wat hij of zij daarin aan het doen is. Misschien is het al heel wat dat om meer alleen te zijn in dat lijden.
Ook die persoon is deel van iets groters en is misschien deel van een grotere beweging of opdracht.
Als opsteller veroordelen we niet. Er is geen idee over wat een psychisch gezond mens is, of wat goed of fout gedrag is, slechts een getuige en de intentie om het grotere te ontdekken.
Als opsteller hou je het veld open en biedt alleen bescherming aan wie dreigt uit het (familie)systeem te vallen of anderszins buitengesloten te worden. Je weet dat uiteindelijk alles en iedereen verbonden is in het systeem en iedereen belangrijk is.
Je blijft geduldig wachten en waarnemen tot de betekenis en patronen zich tonen.
Loyaal aan ouders omwille van het kind
Als het kind de ouders afwijst zal je bij de ouders gaan staan, omdat hun plek dan in gevaar komt. Het kind heeft straks deze ouders nodig, zodat het kan terugkeren naar zijn thuis, zijn oorsprong. Heelheid ontstaat niet door afscheiding, maar door de erkenning en toestemmen.
Je kan als opsteller het kind zelfs begrenzen in uitingen van woede en het uitnodigen om eronder te gaan, waar wat het eigenlijk zoekt en mist, daar waar het kan erkennen en vragen om wat het nodig heeft. Een kind heeft ouders nodig om weer kind te willen zijn.
Natuurlijk moet je eerst wel zorgen dat die ouders ook beschikbaar zijn binnen het systeem, of anders steun elders zien te bereiken, zodat de uitreiking een antwoord kan krijgen dat de kind weer een rechtmatige plek in de ordening geeft.
Als begeleider hoor je te gaan waar het kind niet wil gaan, als daar een oplossing ligt. Je moet dan zorgen voor een zachte landing, door misschien eerst met anderen in het systeem te werken en steun en kracht te vinden. Vertrouwen heeft soms wat tijd nodig.
Je moet bij de ouders staan omdat het precies daar is waar het kind wil en moet gaan. Door naast de ouders te staan in volle liefde en respect, erken je ten volle hun plek en hun recht op dit kind.
Het opgeven van verbinding
Naar het kind begon je misschien met de erkennen van woede, of hoogmoed, als overlevingspatroon. Je was daar misschien wat doelbewust streng in, om bij de kracht van dit kind te komen, maar daarin erken je ook hoe zwaar het geweest moeten zijn en hoe hoog de prijs ervan is geweest.
Het lijden was diep, zo diep dat dit kind eerder bereid was tot een radicale keuze dan het blijven ondergaan van het onvervulde verlangen en alle zware gevoelens van dien. Het is niet niks om je verlangen naar verbinding op te geven.
Gewoon mensen onder elkaar
Als je gewoon een mens in die ander blijft zien en kunt herkennen wat de enorme taak op diens schouders is, dan kan je bij een ander respect komen en bij compassie. Je herkent dan: Jij bent net als ik en ik ben net als jij. Wat je voelt kan (zal) veranderen.
De kern is eigenlijk niet eens dat de ander zich perse groter of beter voelt, maar meer dat de psychische belasting al zo groot is dat er geen draagkracht meer is en dat boosheid wordt gebruikt om anderen innerlijk klein te maken en te vervullen met afkeuring (herkenbaar?).
Er is geen negatief motief, slechts een extreme poging om zichzelf staande te houden in moeilijke omstandigheden. Het kind hield zijn adem in en ging hoog boven de grond hangen om te vermijden wat het zou voelen als het afdaalde.
Leren uit onvermogen
De hoogmoed komt niet uit een verlangen om beter en groter te zijn. Het kan zelfs zo zijn dat dit mens in het stiekem eigenlijk naar jou opkeek om wat je hebt en kon. Misschien probeerde het buiten zicht iets te leren, of krijgen, van wat voor jou zo vanzelfsprekend is. Vragen durfde dit mens niet, maar afkijken en in de buurt blijven kon altijd.
Het patroon kan heel goed uit een combinatie van onhandige contactvaardigheden en uit een onvermogen tot verder dragen. Hoe sterk het kind ook is, het kan altijd een punt bereiken dat wat het draagt teveel en te zwaar wordt.
Overmoed en hoogmoed zijn uiteindelijk goede leraren, al loopt het pad dan soms via een persoonlijke crisis, of zoiets als burn-out, of depressie.
Aftellen tot het niet meer werkt
Overlevingspatronen komen vaak met een interne klok, waarna je iets anders nodig hebt. Hun werking is slecht tijdelijk, zelfs als het zo’n slimme oplossing is als hoogmoed.
Je mag ook hopen dat het zo werkt, want een leven zonder echt betekenisvol contact, zonder vervulling en echte nabijheid, is niet echt een vol leven te noemen. Je zou hopen dat het zo werkt dat uiteindelijk elk masker valt en elk overlevingspatroon wordt vervangen door iets dat meer heel is en meer vervult.
Stop met voelen
Tot dat moment hebben we oplossingen. Het compleet en rigoureus verbreken van echt en gelijkwaardig contact kan heel goed een oplossing zijn om pijn te vermijden.
Als ik jou eerst afwijs, dan kan je mij niet meer afwijzen. Als ik jou belangrijk maak, wordt ik kwetsbaar voor jouw vertrek en wat ik dan verlies. Liever blijf ik alleen!
De sleutel ligt in het voorkomen van voelen, vooral de stressvolle gevoelens. Zelfs de kille woede die onder het patroon ligt, is zo hermetisch afgesloten en beheerst dat het compleet buiten het gevoelsleven ligt.
Als ik dan moet voelen, dan maar een bekend rotgevoel van mijn eigen keuze. Daar kan ik in elk geval mee omgaan. Dit gevoel is dragelijk voor me. Als ik boos ben hoef ik in elk geval mijn verdriet en angst niet meer te voelen, dan hoef ik niet meer te voelen hoeveel ik je mis.
Best interessant hoe we gevoelens en emoties verheerlijken, terwijl zoveel van onze worstelingen juist daaruit voortvloeien. We zullen het ermee moeten doen.
Een onhandige uitnodiging
Als je luistert naar degenen die het hoogmoed patroon leven, dan hoor je misschien zoiets als dit:
Mijn geheim is dat mijn afwijzing en afkeuring eigenlijk een heel onhandige uitnodiging is. Ik hoop dat je erdoorheen weet te komen en bij me wilt zijn, maar ik zal me flink verzetten als je het probeert en alles ontkennen.
Eigenlijk voel ik me heel bang en kwetsbaar. Wil je me komen redden? Wil je doen wat ik niet kan en me geruststellen dat je blijft?
Tweeslachtig en bang kind
Dit is een kind in de wachtstand, wachtend op de ouders, maar tegelijkertijd doodsbang voor het aannemen van de ouders, omdat een hernieuwde uitreiking tot nieuwe afwijzing kan leiden en dat verdraagt het niet meer.
Het kan zelfs bang zijn voor het opnieuw aangenomen worden door de ouders omdat het zo gewend is om alleen te zijn en zich geen raad meer weet met de nabijheid die dat vraagt.
Hoeveel succes het kind ook lijkt te bereiken, het zal nooit echt vervulling vinden, omdat vervulling ligt (en lag) in wat het had willen krijgen van de ouders. Het moet terug naar de ouders en weer afdalen om een antwoord te vinden. Het kind moet weer kind willen zijn en de ouders nemen als de grotere.
Gebrek aan draagkracht
Wat resteert voor het kind is een ietwat krampachtige mix van afkeuring en de noodzaak om zelf vrij van fouten en schuld te blijven. Schuld en oorzaken moeten altijd bij anderen liggen of in omstandigheden, want het komt met gevoelens waar ik zelf niet mee kan omgaan.
Als het maar een beetje wordt uitgedaagd blijkt onmiddellijk het enorme gebrek aan draagkracht. Het verdraagt weinig echt. Daarom heeft het gekozen voor het voetstuk waar het onaangeraakt en onbereikbaar kan blijven.
Het vreemde is dat het zelfbeeld naar buiten wordt verkocht als stevig en zuiver, maar al heel snel blijkt dat het eigenlijk erg kwetsbaar is en nauwelijks aanraking of kritiek verdraagt.
Ergens is het een poppenkast (masker) en een kaartenhuis. Zelfs vragen die tot zelfreflectie uitnodigen zijn teveel. Niemand mag eraan komen. Ook daarin blijkt hoe kwetsbaar het kind eigenlijk is.
Het staat geen nabijheid meer toe, geen kwetsbaarheid, geen echt zelfonderzoek. Hoe lang loopt het al onder deze druk, zo heel alleen? Hoe moe is dit kind?
Hoe vind je veiligheid in nabijheid?
Het kind vind geen veiligheid in nabijheid en houdt anderen op veilige afstand met de hoogmoed, die soms verhuld wordt met woorden die nederigheid en zuiverheid suggereren.
Die patroon kan vol met blinde vlekken zitten en moet afwerende oplossingen bieden tegen herkenning van het patroon door de persoon zelf. Die oplossingen kunnen zover gaan dat er complete black-out momenten ontstaan als er gevaar is van zelfontdekking.
Een helper mag het gerust proberen, maar als het op een punt komt waarop de deze persoon kan kiezen tussen de ouders en het huidige patroon, dan moet een keuze voor het huidige patroon gerespecteerd worden.
Het offer is geen belemmering
Bert Hellinger heeft dat soort keuzen altijd gerespecteerd, omdat elke overlevingspatroon vanuit het werk met familieopstellingen een legitieme oplossing is die we mogen respecteren. Het familielid heeft gekozen voor het offer en wil niet anders en ook zo’n situatie is in balans.
Uiteindelijk is het niet aan de opsteller om te besluiten wat een probleem is in de situatie en het familiesysteem van een ander mens. Het patroon mag veranderen, maar niets hoeft. Elke staat is in balans, want alles is verbonden.
Gelukkig depressief
Op het diepere niveau waar we als opsteller kijken is ook een depressie soms een wenselijke en werkzame oplossing voor een probleem. Het kan zelfs een staat van geluk zijn. Wij hoeven daar niets van te begrijpen. Het is niet ons systeem.
Depressie kan evenzeer een probleem zijn als een oplossing. Soms is het zelfs een speelkameraadje die een kind gezelschap houdt terwijl de ouders iets dragen.
Tijd heelt, ook in opstellingen
Natuurlijk is er altijd ook nog later en kan de keuze op een ander moment, soms met een andere interventie, misschien alsnog opnieuw besloten worden en in beweging komen. Het patroon kan nog wat tijd nodig hebben om de impact dieper te voelen en het verlangen naar terugkeer en eenheid weer te wekken. Je weet maar nooit
Opstellingen tonen steeds een momentopname en tijd werkt gewoon door en opent soms deuren die eerder nog gesloten waren.
Als iets dus nog niet meteen oplosbaar blijkt, helpt het vaak om dezelfde vraag later nog eens te onderzoeken. Soms is tijd genoeg, of er blijkt nog een diepere laag die om aandacht vraagt en dan lukt het later wel.
Vermommingen van hoogmoed
Kinderen die hun onderbroken uitreiking met hoogmoed oplossen, kunnen een spirituele trukendoos gebruiken om hun hoogmoed als goed en juist te verkopen aan anderen. Ze kunnen bijvoorbeeld ideeën uit zenboeddhisme gebruiken (meestal in een vervormde versie), om hun egocentrische houding te rechtvaardigen.
Het is geen hoogmoed, maar verlichting, willen ze je vertellen. In feite zijn ze gewoonweg niet meer beschikbaar voor gelijkwaardig contact en hebben zich teruggetrokken op een eenzame hoogte, omdat daar niemand meer is om te confronteren hoe pijnlijk het is om eenzaam en alleen te staan.
Leefde boeddha een onderbroken uitreiking?
Vanuit die optiek kan je zelfs het verhaal van boeddha Siddharta, de Boeddha die het boeddhisme begon, in een ander licht zetten. Per slot was hij zo geraakt door zijn ontmoeting met lijden dat hij elke prijs betaalde om niet meer te hoeven lijden. Was ook zijn verlichting slechts een onderbroken uitreiking?
We zullen het nooit echt kunnen weten en los van die vraag heeft hij veel van waarde ontdekt en doorgegeven.
Angst voor afdalen in het lichaam (aarden)
Aarden (je mag het ook landen noemen) is iets dat hoogmoedige kinderen vaak heel onprettig vinden, omdat aarden betekent dat je terugkeert in je lijf (incarneert) en daar zitten al die rot gevoelens die ze niet verdroegen. De relatie met hun lijf is verstoord en vluchten was het enige wat resteerde.
Je kan iemand helpen aarden, aar als die persoon daar niet wil of kan zijn, zal je geen dankbaarheid vinden. De rot ervaring van wat er in het lichaam gevoeld wordt zal eerst dragelijk moeten worden. Daar kan geen Reiki symbool tegenop.
Iemand die niet verdraagt zal een weg vinden om weg te gaan.
De smoezenmachine
Zenboeddhisme kan gemakkelijk gebruikt worden als een excuus om de hoogmoedige positie te verkopen. Zo iemand gebruikt dan simpelweg slimheid om een beperkingen een geloofwaardig aura te geven.
Ik ben verder dan jij. Ik heb het aanhaken bij emoties niet meer nodig. Dat jij daar moeite mee hebt ligt aan jou, toch?
Het resultaat is sowieso uit contact, dus ofschoon het frustrerend kan zijn in beide gevallen, is er niets meer te halen bij zo’n persoon. Het oplossen van het ego is een formulering die maskeert wat er gaand er is.
Er is niemand meer om te ontmoeten
Boeddha heeft verhalen waarin hij de ontmoeting met een boos iemand kadert als een kans om te herkennen of er nog iets in hem resoneert.
Als zijn conclusie vervolgens is dat niets meer resoneert, of aanhaakt, dan betekent het dat de boze man in het verhaal (nog de boeddha) nog in ontmoeting et de ander is.
Je kunt geen ontmoeting hebben met een vacuüm. Iemand wiens ego is opgelost is niet meer echt aanwezig, er is daar niets meer om te ontmoeten. Als je zoekt naar contact zal je dat daar niet meer vinden.
De prijs voor het ontsnappen aan lijden wordt betaalt in leven. Het hele doel van boeddhisme is om te leven op een manier die lijden oplost, dus voor iemand met een onderbroken uitreiking is dat een uitstekende stroming om bij aan te haken.
De meester op dit pad mag zo hoogmoedig zijn als hij wil, zolang hij maar een stabiel gemoed heeft en zijn verhalen en meditaties overdraagt. Er is daar geen ontmoeting meer. De aarding is weg.
Voor degenen die verlichting van hun lijden zoeken is boeddhisme een heerlijk vacuüm en de rest zoekt het elders. Je leert er tal van methoden om te kalmeren, en misschien komt er dan een punt dat je weer in je lijf kunt zijn.
Gevoelige mensen en hun verlangen
Is het een onvermogen, of juist een talent? Een kwestie van perspectief en verlangen. Je bent in elk geval in het domein van geloof en religie gestapt, een domein van spiritualiteit waar je volgers je waarde bepalen.
Bij mij geen onvermogen… ik ben speciaal… ik heb roeping… ik ben… geef het maar een naam… Hoogbegaafd? Uitverkoren? Gekozen? Lichtwerker? Kanaal? Medium? Verlicht meesteres? Engel? Het kan allemaal. Elk woord heeft zijn gemeenschap.
Het verschil in de betekenis van die woorden is niet zo groot als het lijkt. Uiteindelijk zijn het maar woorden die een doelgroep aanspreken en bij die groep horen.
De mensen binnen deze groep verschillen niet heel veel in aanleg, noch in wat ze zoeken. Een zachte verwelkomende gemeenschap van gelijkgestemden is misschien het belangrijkste daarin.
Uniek, waardevol en gewaardeerd
Als je al heel lang alleen was op zoek naar iemand die je waardevol vond, dan wil je misschien ook herkend worden in je waarde als mens en je uniciteit. Je wilt dan niet een van de velen zijn, want dan verdwijn je weer in een anonieme massa.
Beter is het om speciaal te zijn en je eigen voetstuk te hebben. Allemaal heel menselijk natuurlijk. Als je onzichtbaar was, wil je het liefst zichtbaar zijn op een manier die gunstig voor je is.
Dan wil je gewaardeerd worden om je eigenheid en wat je te bieden hebt. Die behoefte kan heel groot zijn. Veel mensen werken hard om speciaal te worden, zodat ze eigenlijk welkom zijn en ontdekt worden.
Waarom ook niet? Ze stonden lang aan de zijlijn en voelden zich waardeloos. Hoog tijd om dat te veranderen. Misschien als het van buiten bevestigd wordt, kunnen ze het zelf ook voelen. Is het genoeg als het niet van hun ouders komt? Hmmm…
Onveiligheid en onbewuste redders
Gevoeligheid en de noodzaak om contact veilig te houden, past ook in die groepen. Evenals moeite om met gevoelens in het lijf om te gaan, want daar is lijden en gemis.
Velen schieten gemakkelijk uit hun lijf als het maar even spannend wordt, of bevriezen en stappen daarmee compleet uit hun ervaring. Ik zeg het ook niet helemaal goed, want dat “uit de ervaring stappen” gebeurt volstrekt buiten hun bewustzijn en wil.
Iets in hen neemt gewoon het stuur over en ze hebben er geen enkele controle over. Als het spannend wordt zijn ze gewoon weg. Het kan een kort moment van afwezigheid (blackout) zijn, of een compleet wegvallen en tijd nodig hebben om terug te komen, maar wat het ook is, het gebeurt volautomatisch.
Een HSP kan verdwijnen terwijl je als buitenstaander niet eens merkt dat die persoon er niet meer bij is. Dat hoor je dan later pas als de lijst met klachten komt.
Ze kunnen in alles meegedaan hebben en waren in het moment misschien nog erg positief, reageerden dankbaar, enthousiast en vol waardering, dus dan komt de lijst (Tineke en ik noemen het een HSP-brief) als een complete verrassing.
Ergens achteraf hebben ze dan hun verhaal veranderd, toen ze later hun ervaring alsnog moesten reconstrueren en herkauwen. Pas toen gingen ze bepalen wat ze echt van het moment vonden en doen dat in groot detail.
Het is dan is te laat om er nog iets aan te doen, want het moment is allang voorbij, maar het is ook een vorm van emotie verwerking. Erg onhandig, natuurlijk, en het had veel gemakkelijker geweest als ze in het moment konden ervaren en bijsturen.
Die mogelijkheid hadden ze echter niet. Ze zijn introvert en hebben rust en eigen ruimte nodig om zich weer te herstellen en ontknopen.
Contact blijkt gewoon ongelooflijk spannend voor ze en dan is het snel teveel.
Veranderen van onbewuste helpers
Hulp in dat soort patronen moet in staat zijn met het onbewuste en het met lichaam te werken. Zoiets als hypnose, of een vorm van lichaamsgericht zacht traumawerk (zoals Somatic Experience), kan helpen het patroon direct aan te pakken, of je innerlijke veiligheid en draagkracht te vergroten.
Familieopstellingen kan ook angst en stress oplossen, in die zin werkt het ook als een hypnose, maar bij iemand die een overdaad aan onbewuste verdediging- en overlevingspatronen heeft zou ik dat het liefst aanvullen met een lichaamsgerichte hulpvorm waarin de relatie met het eigen lijf veiliger kan worden. Dit soort patronen oplossen kan wat tijd vragen en een mate van lichamelijk bewustzijn.
Het is best mooi als je waarneemt hoe snel en volautomatisch dit soort patronen zich kunnen afwisselen en situaties kunnen oplossen. Hoe diep moet je lijden om dit soort hulpbronnen te ontwikkelen?
Sommige mensen moeten erg snel en vaak gered worden en hebben een heel arsenaal aan onbewuste hulpbronnen aan boord, die het stuur overnemen wanneer het ook maar even spannend wordt.
Uniek, speciaal en ook heel gewoon
Het pad van gevoelige mensen kent al met al veel vergelijkbare ervaringen. Vaak zijn ze slechts uniek omdat het henzelf betreft en ze verlangen naar de aantrekkelijkheid van uniek zijn en bewonderd worden. Elk mens is ook uniek, al is dat vanaf afstand weer niet zo verschillend. We lijken erg op elkaar, zelfs in ons verlangen naar uniek zijn.
Het is niet perse een gemakkelijk pad. Je ziet velen worstelen en zelfs psychosen vind je er, al kan je dook dat zien als een spirituele reis. .
Ongelijkwaardigheid maakt contact veiliger voor degenen die hoog staan en frustrerend als je geen bewondering hebt voor degene die hoog staat. Dan krijg je een stijve nek en ga je je ergeren.
Als je eenmaal de goeroe bent die volleerd is in de getuigenis, dan is het “probleem” opgelost, want dan zijn er aanbidders en bewonderaars genoeg.
Ze willen ze zelfs verzorgen in je aardse “nutteloosheid” (je bent dan niet meer iemand die iets doet) in ruil voor je nabijheid en inspirerende verhalen. Natuurlijk moet je als goeroe dan wel in je rol blijven, dus vrij ben je niet echt.
Een meester kan gemakkelijk worden afgeschermd van kritiek en “lastige” mensen. Het zijn de volgers die dat voor de meester doen en die het aura van de meester verder opbouwen. Het is een handig masker als je die bescherming nodig hebt en ermee weg kan komen.
Spiritueel leider uit gebrek?
Is het altijd zo dat spirituele leiders en leraren uit gebreken voortkomen? Misschien wel en misschien ook niet. Wie zal het zeggen? Uiteindelijk hebben we het niet over goed of kwaad, maar slechts over een patroon en waar het patroon uit voortkwam.
Zelfs het motief kan je niet met zekerheid aannemen. Die informatie is van buitenaf moeilijk te bepalen, helemaal bij iemand die zich niet laat kennen, noch zichzelf genoeg kent.
Is het belangrijk om te weten? Willen we mensen graag indelen in goed en slecht, moreel, immoreel, beter, minder? Is dat helpend? Waarom eigenlijk? Wat brengt het ons om anderen groter of kleiner te denken? Voor wie is dat?
Elk patroon is helpend
Elk patroon kan onder de juiste omstandigheden grootse uitkomsten bereiken en heel nuttig blijken. Elk gedrag kan nuttig zijn als de in een bepaalde context. Het hangt ervan af. Ik kan me veel gebreken voorstellen die uitermate nuttig en zelf noodzakelijk zijn.
Docters en verplegers zijn erg nuttig als je ziek bent. Wat dreef ze om zo hard te werken en daar te komen? Was het een loyaliteit, een gebrek, iets anders?
Als je een onmogelijk bouwproject nodig hebt, zoiets als de Hooverdam in de V.S., dan heb je misschien meer aan iemand die alles opzij zet voor de taak en die kan dragen dat er mensen zullen sterven. Iemand die blijf pushen en doorgaan tot de taak klaar is.
Krijgers, koks, gewondenverzorgers en beulen hebben allemaal hun tijd en plek, net als ondernemers, diplomaten en politici. Elk leven is van waarde.
Leven we in een opstelling?
Is leven daarmee ook zelf misschien een grote opstelling, waarin iedereen erbij hoort en zijn plek heeft? Bert Hellinger dacht zeker van wel en herkende dat mensen soms ook in hun leven representant zijn voor anderen. Ik kan dat alleen maar met hem beamen.
Of boeddha uit een onderbroken uitreiking is ontstaan, of uit een onvermogen om het lijden te dragen, of uit wat de bron van zijn leven ook was, doet niets af aan de waarde die zijn leven had. Velen vonden hulp en verlichting door het volgen van het pad dat hij voorhield. Dat mag genoeg zijn.
Hellinger was wijs op dat front. Als anderen probeerden te kiezen wie niet waardig zouden zijn als opsteller, gaf hij steevast aan dat zelfs slechte opstellers nog goede uitkomsten zouden kunnen bereiken.
Hij maakte zich niet druk ver de vrom en had geen neiging om het te reguleren of vast te zetten. Soms is een enkele zin precies de hulp die je nodig hebt. Uitiendelijk zijn helpers maar getuigen en niet de eigenaar van een ander leven.
Hoogmoed doet ons denken dat wij de bron en de betekenis zijn, terwijl leven ons leert dat we slechts een klein deel zijn van een veel groter en ouder project.
Deemoed, of bescheidenheid, is eigenlijk de meer rationele positie, al stribbelt ons ego er soms wat tegen en wil graag speciaal en groot zijn. We zijn jeugdig enthoussiast denk ik dan maar, overstromend van zelfvertrouwen over onze vermogens.
Terug naar onze menselijkheid
Hoe we kijken doet niets af aan de waarde die we kunnen vinden. Elk groot pad heeft grote keuzen en grote offers gevraagd. Elk pad kent vreugde en pijn, winst en verlies.
Aan het einde van de zoktocht hoeven we niet meer te vinden dan een gewoon met mens, net als wijzelf. In het oog van het grotere zijn we allemaal gelijk. Niet meer en niet minder dan een mens die zijn groep dient.
Grootsheid als dienst
In familieopstellingen kunnen we zien hoe een familielid iets groots op zich heeft genomen. Sommigen nemen alles wat onopgelost is op hun schouders en wandelen een onmoelijk moeilijk en zwaar pad, anderen staan vrij en licht op afstand.
Wie gaat wie achterna en wie is trouw aan wie? Ik volg je in de dood. Ik bewaak jouw plek zodat je kan terugkeren. Ik draag voor jou. Ik herinner jou en laat weten dat je bestaat.
Aan de oppervlakte is het project vaak niet herkenbaar in wat het is, maar als we dieper kijken, is het meteen duidelijk wie draagt en wie belast is.
Ziekte, tegenslagen en keuzen, zoveel ervan heeft een fundament in dat diepere niveau. Je kunt je gaan afvragen hoeveel van ons eigenlijk van onszelf is en hoeveel slechs een expressie van onze oorsprong.
Je bent je ouders en je voorouders, maar hoeveel blijft dan nog over als jij? Een centraal inzicht uit familieopstellingen is dat er veel krachten door ons heen werken en dat we daarin veel minder keuze hebben dan we geneigd zijn te denken. Dat wat van onszelf is, dat waar we keuze hebben is misschien maar heel klein in verhouding.
Opofferen en dragen voor de groep
Natuurlijk is het mooi als iemand zich opoffert voor zijn groep, het is waar het kerstverhaal over Jezus bij ons zo aanhaakt. Als opsteller kunnen we ernaar kijken, maar ook helpen om het dragelijke te maken door anderen te vragen hun deel van de last te dragen.
Het hele familiesysteem is dan een steunbron, waarin iedereen bijdraagt. Dat is de natuurlijke staat van zo’n systeem, maar soms gebeurt er iets waardoor een plek meer belast raakt dan de rest.
Net als in een lichaam wordt dat dan misschien lokaal ingekapseld en betrekt dan een deel van de nieuwe groei in de directe omgeving erin (de kinderen). Dan gaat het niet echt weg. Het kan ook oplossen en herstellen, zodat de belasting verdwijnt en de kinderen hun eigen pad weer terugkrijgen.
Als je ernaar kunt kijken en je begrijpt hoe grootst een pad kan zijn, dan vervult dat je ongetwijfeld met een nieuw respect en achting voor de persoon die het betreft.
Aan de oppervlakte kan het zich manifesteren als een buitenstaander (een dader), of als een zwaar ziektebeeld, of iets anders dat moeilijk te dragen is. Zonde een opstelling hadden we nooit geweten wat de betekenis op dat diepere niveau is, de aard van wat die persoon doet.
Alles is deel van iets groters
Als je er eenmaal in duikt, komt er geen einde aan de ordening. Alles is deel van iets groters. Het hangt allemaal samen. Familie een gemeenschap zijn weer deel van nog iets dat hele volkeren in zijn kielzog meeneemt.
Hellinger noemde dat grotere de grote ziel en het plaatst alles wat er is in een allesomvattende opstelling, waarin alles beweeegt en in balans is.
Is het totaal ervan de kosmos? Is het God? Is er nog niets waar we nog helemaal geen weet van hebben? Het is allemaal dnekbaar. Hoe groot het grote is, weten we niet echt. We ontdekken slechts keer op keer dat er meer is dan we dachten.
Wat we belangrijk vinden heeft geen betekenis in het geheel
Leven, ziekte, dood, geluk en lijden, ze zijn van geen betekenis op dat niveau. Ze zijn verbonden en in complete harmonie met elkaar. Op het niveau van zielen speelt geen van hen een hoofdrol en is geen van hen belangrijker dan de ander.
Als je kijkt vanuit de kosmos… is er dan zelfs iets merkbaar van onze emoties, van onze drukte? Kijkt daar iets of iemand glimlachend toe terwijl wij ons opwinden en druk bezig zijn? Waarschijnlijk niet want daarvoor moet je vanuit het kleine kijken, niet vanuit het grote.
We denken zelf ook niet na over de micoben en cellen die sterven, steeds wanneer we gaan verzitten, of een stap maken. Voor de cel is het een kweste van leven of dood, mogelijk zelfs erg stressvol, maar niet voor het grotere.
Als we geen microscopen en boeken hadden, zouden we er niet eens weten dat microben en cellen bestaan. Individuele cellen hebben voor ons geen betekenis.
Diep schouwen in de ziel
We kijken in opstellingen om te begrijpen en misschien om te helpen. In het boeddhisme noemen ze dat diep schouwen.
We kijken om in alles een mens te vinden die een menselijke ervaring ondergaat. We kijken om iets vanonself te ontdekken. Via deze mens en deze ervaring kunnen we voorbij veroordeling komen en ontdekken hoe we aan elkaar verbonden zijn.
Die ander en ik zijn helemaal niet zo verschillend. Misschien had ik die ander helemaal niet goed begrepen voor ik bereid was om echt diep in de ervaring van die ander te stappen. Best bijzonder dat opstellingen die deur voor ons opent.
Jezus, Gandhi, boeddha, ze toonden ons allemaal iets dat moeilijk was, maar ook heel menselijk. Als opsteller zien we dan hoe individuen eigenlijk geen keuze hadden en werden meegesleept in een grote bewegingen waar ze maar klein in waren.
Hellinger sprak van de grote ziel, als een kracht die hele volken in zijn kielzog meeneemt. We neigen ernaar om individuen schuld te geven van dat soort bewegingen, het is gemakkelijker om daderschap een naam en een gezicht te geven, maar als opsteller zien we dan terug dat ook zij slechts werden meegesleept.
De leiders waren zichtbaar, maar daaronder bewogen talloze anderen en de beweging werd gestuurd door werkte een kracht die van geen van hen was. Dat geeft ons echter geen genoegdoening en ons zelfbeeld vraagt om een ander verhaal.
Het kan je gerust vervullen met deemoed als je inziet hoe klein en kwetsbaar we in dat soort bewegingen zijn. Het grotere is zoveel groter en machtiger dan elk van ons.
Alledaagse hoogmoed
Heeft elk van ons een mate van hoogmoed dat onze nietigheid liever vergeten? Ik zou het mezelf gerust toedichten. Een mate van moed en hoogmoed is ook wel nodig om je te onderscheiden en leiderschap te vertonen.
Elke helper heeft een mate hoogmoed nodig, want hoe kan je anders denken dat je iets van waarde kan geven en dat de ander het nodig heeft?
Zonder een gezonde mate van hoogmoed zou je nooit een levenscoach of therapeut kunnen zijn. Je moet ergens de gedachte hebben dat je ervaring of oplossingen hebt die anderen niet hebben, of dat je ze beter (of sneller) oplossingen kunt (helpen) vinden dan de persoon op eigen kracht kan.
De stap van zelfvertrouwen of zelfvoldoening naar hoogmoed is niet zo groot. Elke hulprelatie heeft ook een mate van ongelijkheid in zich, wat helper zijn een goed vakgebied maakt voor degenen die hoogmoed als oplossing voor hun onderbroken uitreiking gebruiken.
Hoogmoed balanseren en temperen
De grootste leiders zijn vaak ook de grootste twijfelaars en zoekers geweest. Ze werkten hard om de verleiding van hoogmoed te temperen en de best afgewogen keuzen te vinden voor velen.
Voor hen geen gemakkelijke keuzen en vaak waren het leiders tegen wil en dank, gedreven door een groot lijden, of een groot onrecht.
Wanneer hoogmoed wint gaat het vaak niet goed. Twijfelaars laten dat niet gebeuren. Hun intentie is om gelijkheid te bereiken. Waarschijnlijk twijfelden ze allereerst aan hun eigen gelijk en waarde. Twijfelaars moeten werken voor genoeg kracht en zelfvertrouwen om stappen te maken en naar buiten te treden.
Hoogmoed kan pas winnen wanneer je de ervaring van de anderen niet meer echt meeweegt. Twijfelaars evalueren zichzelf voortdurend vanuit de positie van anderen en het groter.
De kans dat ze overdreven zelfkritisch zijn is veel groter dan dat hun hoogmoed het wint. Ze moeten voor elk zelfvertrouwen werken en overtuigend bewijs vinden. Zelfs aan complimenten twijfelen ze.
Gebrek aan gronding
De kinderen uit de onderbroken uitreiking gaat het relatief met kinderen die voor hoogmoed kozen. Zonder hoogmoed zouden ze veel moeite hebben om zich te handhaven. Zolang de eenzaamheid niet teveel op hen drukt, kan het best goed gaan.
Eigenlijk staan ze op zwakke grond. Ze missen de verbinding met hun ouders en de stabiliteit en rust die dat fundament kan geven, maar omdat ze dat gemis niet echt voelen, kan het een tijd rustig zijn.
De realiteit is dat ze nog wel willen ontvangen, als wat je geeft dragelijk genoeg is. Als wat je geeft te moeilijk blijkt , of als je iets terugvraagt dat ze vermijden, dan gaan ze direct uit contact. Ze zijn dan bepaald niet subtiel, of zachtaardig. Hoe je hen ontvangt is alleen aan jou.
Je kan ze herkennen als je naar ze uitreikt voor contact en een leegte terugkrijgt. Er is daar geen draagkracht, dus je krijgt steeds al heel snel een versie van “niet thuis” wanneer je iets brengt wat om draagkracht vraagt. Ze bieden zich niet echt voor ventileren van emoties.
Spiritueel rationaliseren
Ook kunnen een flinke portie spiritueel redeneren tonen, om hun afwezigheid en afwijzing te rechtvaardigen. Het kan zelfs zijn dat jij je schuldig mag gaan voelen, over wat je hen bracht en (daarmee) aandeed.
Het is jouw schuld dat ze een rotgevoel kregen. jij had je moeten inhouden. Het is niet aan hen om de buitenwereld te verdragen, het is de taak van de buitenwereld om zich aan te passen aan hun uitgebreide gebruiksaanwijzing, die hun gebrek aan grenzen, draagkracht en zelfregulatie maskeert en beschermt.
Het is duidelijk voor hem dat jij degene bent die nog onvoldoende ontwikkeld is. Zij zijn gewoon verder op het pad en hebben jouw gebreken al overwonnen. Jij was fout, toch?
Hoogmoed kan ook een wapen worden en leiden naar eenzijdige en oneerlijke conclusies. De oneerlijkheid is dat dat analyse slechts een kant weegt en eenzijdig schuld toekent. Eigen verantwoordelijkheid wordt ontkent en schuld ligt altijd elders.
Er zit geen zelfbewustzijn in de uitkomst. Feedback wordt simpelweg afgebroken of genegeerd. Er is geen draagkracht voor een eerlijke zelfevaluatie.
Afwezigheid is voelbaar
Voor mensen die in goed contact met hun lijf staan, degenen die kunnen ervaren hoe echt contact aanvoelt, is het ontbreken van de ander in contact direct voelbaar. Naar iemand die is afgestemd en aanwezig is in zijn lijf, kan je niet verhullen dat je zelf uit contact bent.
Onvermijdelijk merkt zo iemand dat je lijf leeg is en zonder bewoner. Je kunt voelen als de ander weg is, uit contact, en wij mensen zijn daar best goed in. Misschien weeten we niet altijd waar we precies op reageren, wat de betekenis is van onze ervaring, maar we hebben snel genoeg door wanneer er iets niet klopt.
Zelfs iemand die zelf afwezig is en bijna volledig uit contact, reageert duidelijk op afwezigheid en aanwezigheid bij anderen. Als anderen dezelfde afwezigheid tonen en geen ruimte innemen, voelen al snel veilig en vertrouwd aan en aantrekkelijk om dichtbij te komen.
De reactie is heel anders als de ander wat stevigheid en directheid toont en gemakkelijk ruimte inneemt. Zo’n persoon worden sneller als onveilig en zelfs als moeilijk ervaren, terwijl het andersom ook irritatie kan uitlokken wanneer afwezige mensen jaloers worden op het gemak waarmee ze ruimte innemen en aandacht krijgen.
Niet alleen wordt de ander een concurrent om aandacht en ruimte, maar omdat de afwezige persoon moeite heeft om te vragen (om verwachtingen te vermijden) is boosheid gemakkelijker.
Natuurlijk is die boosheid meer op het zelf gericht, dan dat het echt over de ander gaat. Het is slechts de frustratie en angst die naar buiten komt. Erg onhandige communicatie, als je bedenkt welke vraag er eigenlijk onder verborgen gaat. Iemand die zelf afwezig is, heeft vanzelfsprekend moeite met de stevigheid in anderen.
Het verlichte pad
Een boeddha is meer dan afwezig, want die heeft zijn ego compleet opgelost. Een vraag kan zelfs zijn, wat is er nog om aanwezig te zijn als je eenmaal een boeddha bent?
De beoefening is alles wat telde op het pad en het vroeg om alles wat naar lijden zou kunnen leiden. Hoeveel menselijkheid, hoeveel aanwezigheid, is er nog over na dat proces?
In Advaita wordt een vergelijkbaar proces doorlopen, met als eindpunt iets dat de waarnemer wordt genoemd. Voor je daar bent heb je jezelf losgemaakt van alles wat je als deel van het zelf zou onderkennen, je lichaam, je gedachten, je emoties, alles.
De meditatie focust op wie je werkelijk bent en steeds als je een antwoord vind dat je bent, vraagt je wat dat waarneemt en beseft dat er nog een ander dieper antwoord moet zijn, waarnaar je verder zoekt. Uiteindelijk blijft er niet meer over en is er alleen dat wat alles waarneemt terwijl het zelf niet beweegt, noch vorm heeft.
Wat is er om contact mee te hebben als je iets bent dat geen woorden, noch vorm, noch beweging heeft. Is dat aanwezigheid, of afwezigheid, leven of dood? Leen heeft beweging, dus dat is het zeker niet en zonder levende ervaring is er geen aanwezigheid.
Blijft er nog iets over om contact mee te hebben, of bestaat deze beoefening uit een stapsgewijze dissociatie? Wat blijft er over?
Het lijkt vergelijkbaar met wat een boeddha wilde bereiken. Iets dat niet meer deelneemt heeft geen lijden noch aanwezigheid. Het is compleet stil en resoneert nergens meer op. Contact vraagt meer dan dat.
Hoeveel hoogmoed is verborgen onder deze beoefening? Hoeveel onderbroken uitreiking en onvervuld verlangen?
Het oplossen van het ego betekent ook dat er niets persoonlijks meer is waar je contact mee kunt hebben. De boeddha heeft zich onbereikbaar gemaakt, opdat de beweging en daaruit voortvloeiende lijden kan stoppen. Hij kan slechts nog fungeren als een voorbeeld op afstand. Een beeld waarnaar je mediteert.
Hoe aanwezig is een lamp?
Aan het eind van het verlichte pad zie je mensen die alleen nog geschikt zijn voor het vertellen van verhalen aan volgers en voorbijgangers. Het zijn hun volgers die nog iets bouwen, maar de meester zelf neemt niet meer echt deel aan de wereld.
De meester wordt gedragen en compleet verzorgd door zijn leerlingen en volgers. De volgers streven ernaar om uiteindelijk net zo nutteloos te worden als de meester.
Ze moeten zelfs leren van de meester wanneer ze dat punt bereikt hebben, want dan kunnen ze in de voetsporen stappen en eigen volgers krijgen en op dezelfde manier verzorgd worden en verhalen vertellen.
De meester is slechts een lamp, maar een lamp leeft niet, die heeft nog maar een enkele functie en die functie vraagt niet meer dan er zijn.
Leven zonder lijden
Het is geen slecht pad en het houdt zich mooi in stand, ook al kan je inzien dat het een beweging uit leven demonstreert. is en niet erheen. Leven zit in de beweging en een beweging naar de ultieme rust, stilte en vrede is bewegingloos en daarmee levenloos.
Niet echt levenloos, natuurlijk, want fysiek is de boeddha nog niet dood. Hij leeft in een wachtstand, bevrijd van elk verlangen, elke beweging, wachtend, mediterend.
Houdt boeddha zijn adem in, als het kind dat niet meer wilde voelen? Je zou het kunnen vergelijken, want wat voor leven is vrij van elke vorm van lijden? Is het de prijs waard? Is het al die tijd waard die je bezig bent met mediteren en oefenen, tijd die je niet meer deelneemt aan al het andere?
Is de waarnemer uit Advaita de prijs waard? Dat pad lijkt alleen zinvol als je vervolgens ook terugkeert en de gekte van de dissociatie inziet.
Een wiel is geen auto, het stuur ook niet, maar zonder de onderdelen van een auto is er geen auto. De voorbijganger die de auto waarneemt, is ook zeker niet de auto. Intuïtief weten we dat het zo is, wat de auto is, maar als we gaan vragen (en mediteren op) wie de auto werkelijk is, dan zouden we daar niet uitkomen.
De vraag is niet zozeer of de beoefening waarde kan bieden, maar misschien wel of het eindpunt de prijs waard is en begerenswaardig is.
Boeddha was een dakloze zwerver zonder bezit die het lijden niet verdroeg, de uitkomst van zijn beoefening is dat eigenlijk ook. Bezit wordt onderkend als een bron van lijden, dus dat is zeker een hechting om te overkomen als je een boeddha wilt zijn.
Niet voor niets gaan de meeste beoefenaars niet verder dan stressverlaging en niet zover dat ze monnik worden en alles opgeven. De waarde zit in balans en het vinden van de balans die werkt voor jou.
Je hoeft niet alles op te geven en dan kan je iets bewaren dat nog aanwezig kan zijn en je lijf ervaren terwijl je ook het lijf en de aanwezigheid van de ander ervaart.
Een leeg huis is slechts leeg.
De gemeenschap is de echte waarde
Waar zit de waarde van spirituele beoefening? Zit het in iets anders dan wat het pad vertelt? Terwijl je op dit soort paden wandelt wordt je opgenomen in een grote gemeenschap van gelijkgestemde beoefenaars. Is het misschien die gemeenschappelijke ervaring en het welkom dat je werkelijk zocht?
Contact met een boeddha kan onbevredigend zijn, want hij kan niet meer echt bij je zijn, maar de gemeenschap kan je van voeding voorzien, je steunen en gezelschap houden.
De menselijke natuur is niet gemaakt om op een eiland te leven, we zijn sociale organismen (vandaar emoties) en leven en bewegen in groepen. Lijden hoort daar evenzeer bij als geluk. Leiders en volgers , geluk en lijden, het zijn slechts kanten van eenzelfde medaille. De een kan niet zonder de ander..
Je krijgt bij zo’n persoon alles behalve verbinding en contact en je voelt dan meteen dat je in feite alleen staat, zoals het kind ooit alleen stond toen het geen antwoord kreeg.
Het kind is zijn afwezige ouder geworden
Opmerkelijk genoeg heeft het hoogmoedige kind zich gevormd tot de ouder die zijn eerdere uitreiking niet beantwoordde. Het heeft zijn “probleem” op die manier verinnerlijkt en zichzelf onbereikbaar gemaakt, net zoals het zijn ouders ervoer.
Indirect laat het jou ervaren hoe het voor hem was om moedeloos alleen te staan. Alleen, als in de uitreiking waartoe het ooit nog bereid was.
Hoe voelt het voor je als je uitreiking op die manier onbeantwoord blijft? Voel je verdriet? Voel je boosheid en irritatie over de oneerlijkheid van dit contact? Voel je afstand?
Hoe lang blijf je staan als je alleen het voetstuk kan zien waarop iemand zichzelf heeft geplaatst? Is contact met het voetstuk genoeg, of wil je contact met een mens van vlees en bloed? Wil je wederkerigheid?
Stille wraak van een kind
De spiritualiteit dat het “kind” uitdroeg, bleek slechts een smoes om dit pijnpunt te maskeren en zich te verkopen als degene die verder is op het pad.
Zijn gedrag is een kille manier geworden om wraak te nemen op de eigen ouders, waarbij jij dan de ouder mag representeren en de onbeantwoorde uitreiking mag ervaren, alsof je in een opstelling staat.
Bert Hellinger was heel helder toen hij herkende hoe mensen ook in het leven anderen representeren. We staan continu in familieopstellingen, waar we ook gaan in ons leven. We herkennen het vaak alleen niet.
Je mag niet blijven
Je zal onvermijdelijk weggaan als je zo’n persoon ontmoet, want bij die persoon is niets te halen. Dat “hoogmoedige kind” leeft niet echt en doet slechts alsof.
Bij zo iemand rest jou niets anders dan al snel weer verder te gaan en het kind achter te laten. Dat is ook wat het kind verwacht, dus het wordt daarin keer op keer bevestigd.
Zie je wel? Niemand geeft om me. Niemand blijft en iedereen laat me in de steek. Natuurlijk zit er ook een laag van trouw in deze boodschap, trouw naar de ouders, want als zelfs de ouders niet bleven, hoe kan het kind iemand anders laten blijven?
Het doel is dat je gaat, niet dat je blijft. Het gekwetste deel vraagt dat je het kind weer verlaat en impliciet afwijst.
Uiteindelijk zal dus ook jij gaan. Zelfs als je een tijdje blijft, omdat je de spirituele boodschap aantrekkelijk vindt, zelfs als je gelooft in wat het vertelt. Uiteindelijk zal de leugen in de boodschap je gaan opvallen. Er is geen diepgang, geen echte relatie, hier.
Vroeger of later ontdek je het onvermogen tot echt contact dat zich verborgen hield. Dit kind haalde op slimme en indirecte wijze wat bevestiging bij jou, maar was zelf niet in staat tot volwaardig contact. Je was slechts een surrogaat voor wat het nodig heeft. Je gaat steeds meer voelen hoe leeg en eenzijdig dit contact eigenlijk is.
Natuurlijk kwam je als deelnemer zelf ook halen, want daar is de boodschap voor bedoeld.
Als iemand liefde predikt, dan werft die persoon mensen die daarnaar op zoek zijn. De boodschap fungeert als een filter die mensen voorselecteert op een gemis, of tekort, mensen die op zoek zijn naar zachtheid en een mate van verzorging.
De boodschapper zoekt dan een versie van zichzelf, die bereid is te volgen, bereid is om zich te geven aan de boodschapper. Een besloten plek met alleen voorgeselecteerde veilige mensen, hoe fijn kan dat zijn?
Je gaat op zo’n plek een ongeschreven contract aan, wat omvat dat je elkaar eigenlijk datgene geeft wat het kind van de ouders had willen krijgen, toen het klein was. Veiligheid, erkenning, bevestiging, zorg, warmte, liefde, een veilige cocon in een ietwat onvriendelijke wereld.
Het is genoeg voor een periode en je kan altijd terugkomen voor nog wat meer. Hoe fijn is dat, maar het wordt snel moeilijk met zoveel gekwetste onvervulde mensen onder elkaar. Je gaat missen wat er niet is.
Op een kerkhof is geen leven te halen. Wat je er kan halen is slechts de echo van een pijnlijk gemis.
Het gebrek aan gelijkwaardig contact zal je vroeger of later weer terugbrengen. Je keert terug naar het verlangen naar leven en echt contact. Je stapt daarmee uit de veilige cocon omdat je meer nodig hebt dan wat je daar vind. Hoe meer je daar gevuld wordt, hoe meer je ervaart dat het niet genoeg is en slechts een pleister op een wond.
Het hoogmoedige kind mag dan weer een volgende leerling vinden om hetzelfde spel mee te spelen en daarmee enigszins het eenzaamheid te compenseren.
Liefde die pijn doet
Hoe pijnlijk is het als degenen naar wiens liefde je het meest verlangt, naar wie je het meest uitreikte om liefde, verzorging en bevestiging te krijgen, je pijn deden, je negeerden, of vroeg in je leven weggingen om nooit meer terug te komen?
Een opname door ziekte op een kwetsbaar moment in het leven van een kind kan al genoeg zijn om het vertrouwen in liefde, verzorging en dat de ouders er altijd zullen zijn, kwijt te raken.
Als ouder kan je er lang niet altijd wat aan doen om het lijden van je kind te voorkomen. Soms doe je alles “goed” en zet je alles opzij voor je kind en blijkt je kind nog steeds een tekort te ervaren en zich af te sluiten of af te keren.
Een deel van ouderschap is ook om grenzen voor het kind te stellen en consequenties te geven. Vroeger hield dat ook slaag bij, als lijfstraf om het kind te disciplineren.
Als het kind genoeg schrikt van een reprimande kan zelfs dat maken dat het zich terugtrekt en weigert nog uit te reiken of de ouders te aanvaarden.
Verloren onschuld
Het moment waarop je als kind ontdekt dat liefde pijnlijk kan zijn en dat mensen van wie je houdt, waarvan je liefde verwacht, je ook pijn kunnen doen, is een moment waarop je je onschuld kwijtraakt en het zal nooit meer terugkeren.
Het is zo’n moment waarna je nooit meer dezelfde zult zijn. Je wereld is voor altijd veranderd en ook jij kan nooit meer helemaal blind vertrouwen. Je weet nu beter.
De overgang van onschuld en wat erop volgt kan heel pijnlijk zijn en diep snijden. Het kind is zijn kinderlijke onbevangenheid kwijt. Zal het ooit nog bereid zijn zo kwetsbaar en afhankelijk te zijn? Wie weet. Als het overreageert kan het veel opgeven.
Goede imperfecte ouders
Dat je kind vanuit gemis en pijn afkeert, betekent trouwens niet dat de ouder iets fout doet, of dat het kind op echte afwijzing of onbeschikbaarheid van ouders reageert. Kinderen kunnen ook vanuit kinderlijk denken onhandige conclusies trekken.
Het probeert om zijn ervaringen te begrijpen en concludeert dat het niet belangrijk is, of geliefd, en door de ouders simpelweg worden geweerd, of genegeerd.
Ouders zijn ook trouwe kinderen
Ouders zelf kunnen ook trouw zijn aan hun opvoeding (dus hun ouders) en zich laten leiden door Bijbelse spreuken als “Wie het kind liefheeft, kastijdt het”. Dat is een spreuk die ik in mijn jeugd ook geleerd heb, al weet ik niet precies waar en wanneer, maar die in elk geval mijn vader ook nog wel leefde.
Strengheid, discipline, tucht, kan vanuit dit gezegde een uiting van liefde zijn. Het geeft expressie aan de wens om het kind te vormen tot een nuttig en verantwoordelijk lid van de gemeenschap. Het kind leert over christelijke waarden over goed ouderschap om later zelf te volgen.
Tucht hoeft natuurlijk niet perse uit lijfstraf te bestaan. Tijden zijn ook veranderd, maar consequenties aanbieden die bestaan uit iets dat onprettig is voor het kind hoort ook bij ouderschap en kan gemakkelijk de relatie verstoren.
Het vinden van een balans is niet altijd zo gemakkelijk en zelfs met de beste intenties kan het kind eigen conclusies trekken die het isoleert. je hebt ook als ouder niet alles in de hand. Soms merk je pas veel later hoe je kind zijn jeugd eigenlijk heeft ervaren.
Onvermijdelijke overgangsmomenten
Natuurlijk is het verlies van onschuld een onvermijdelijke overgang, zoals ook de overgang naar jongvolwassene en volwassenheid ooit zal moeten plaatsvinden en je ooit misschien ook zelf de verantwoordelijkheid zal krijgen voor eigen kinderen.
Elke keer verlies je iets in de overgang, ervaar je in het verlies een mate van psychische pijn (ook wel stressvolle emoties genoemd), en steeds krijg je ook de kans om iets nieuws te ervaren en krijgen.
Toenemende verantwoordelijkheid en zelfstandigheid is misschien lastig, maar met het verlies aan zorg en verzorging bereik je ook een stuk vrijheid en nemen je mogelijkheden toe.
Je wilt als ouder niet alleen dat je kind zelfstandig wordt, maar ook dat het kracht ontwikkelt en in staat zal zijn om tegenslag te overwinnen. Een te zachte opvoeding kan dan ook niet de oplossing zijn.
Lessen over grenzen en het omgaan met andere mensen en tegenslagen hoort bij de vorming van een kind. Het heeft het nodig om een kans krijgen om kracht en zelfvertrouwen te ontwikkelen door zelf voorbij obstakels te komen en iets te ondernemen wat uitdagend is.
As je dat in contact brengt met de eigenheid van elk kind, dan begrijp je dat het voor de ouder ook niet perse gemakkelijk is om het kind te helpen. De ouder krijgt evenzeer obstakels en uitdagingen om een weg in te vinden.
Elk doet wat het kan en wat overblijft is dan voor later. Hopelijk heeft het kind genoeg ontvangen om het dan op te pakken en hulp te vragen.
Existentieel verlangen naar liefde
Ons basisverlangen is om gewenst, welkom en geliefd te zijn, om te leven in verbinding met andere mensen. De vervulling van dat verlangen via onze ouders geeft ons een fundament van vertrouwen, een basis.
Het zou zo fijn zijn als we dat allemaal ervoeren, maar we lopen onvermijdelijk psychische (en soms fysieke) klappen op en krijgen tegenslagen om te overkomen.
Het is niet altijd gemakkelijk om een kind te zijn. We zijn hier voor de kinderen die nog niet vervuld zijn en zoeken naar een stevig fundament in hun oorsprong. Kinderen die iets willen helen en misschien al heel lang onder een tekort leven.
Hoogmoed is verleidelijk, maar je eigen plek is veel krachtiger.
De plek van je geboorterecht. Het is je gegund.

Behalve dat je als opsteller in staat bent de vinger recht in het hart van de wond te plaatsen, waardoor alles zichtbaar en voelbaar wordt wat zolang ingekapseld en verborgen was en het eindelijk mogelijk kan beginnen met helen (als je weer aan de rand van de wond staat naar het slagveld te kijken, nog nahijgend afvragend welke veldslag er eigenlijk had plaatsgevonden en wat de verliezen zijn en wat er nog wel heel is aan je), kun je ook nog eens prachtig schrijven. Ik, of we, komen zeker nog terug als het de juiste tijd voelt voor een volgende stap of dieper anker.